zondag 26 oktober 2014

White Paper - Palletiseren; Efficiënt en snel palletiseren - Een vergelijking van verschillende palletiseersystemen



1 Waarom palletiseren?

Elk jaar worden wereldwijd ongeveer een half miljard pallets in verschillende formaten geproduceerd met maar één doel: een efficiënter transport van producten. Dankzij deze ladingdrager blijft het aantal fysieke handelingen in de hele keten vanaf de producent tot aan de eindgebruiker grotendeels beperkt tot het verplaatsen van de pallet, waarop tientallen en soms zelfs honderden producten passen. De producten zelf hoeven alleen nog maar bij het stapelen en ontstapelen van de pallets opgepakt te worden.  

Met name het stapelen ofwel palletiseren is een werk dat veel aandacht vraagt, aangezien de stapel stabiel genoeg moet zijn om transport per heftruck of vrachtauto te doorstaan. Sinds het ontstaan van de pallet meer dan honderd jaar geleden zijn daarom verschillende slimme palletiseersystemen ontstaan. In deze whitepaper worden drie systemen met elkaar vergeleken: de conventionele palletiseermachine, de standaard palletiseerrobot en de Highrunner van Qimarox.

Waarom zouden we echter het stapelen van pallets automatiseren? Daarvoor bestaan verschillende redenen:

·         Ergonomie. Het handmatig stapelen van pallets is zwaar werk. Mensen moeten voortdurend draaien, bukken en soms zelfs reiken met producten die vele kilogrammen kunnen wegen. Bovendien gaat het vaak om hoogfrequente en repeterende bewegingen, die zeker bij een achturige werkdag tot lichamelijke klachten kunnen leiden. Vooral nu het werknemersbestand van veel bedrijven in snel tempo vergrijst, is ergonomie een aandachtspunt.

·         Capaciteit. De snelheid waarmee mensen een pallet kunnen stapelen is in vergelijking met een machine beperkt. Natuurlijk kunnen meerdere mensen worden ingeschakeld, maar die lopen elkaar al snel in de weg. Bovendien worden mensen in tegenstelling tot machines moe, waardoor hun capaciteit aan het eind lager zal liggen dan aan het begin van de werkdag. Tot slot: machines werken dag en nacht door, mensen niet.

·         Kwaliteit. De stabiliteit van een pallet hangt grotendeels af van de kwaliteit van de stapeling. Dat betekent dat elk product het liefst tot op de millimeter nauwkeurig op de pallet moet worden geplaatst. Mensen zijn veel minder nauwkeurig dan machines, zeker als de concentratie na verloop van tijd afneemt. Bovendien maken machines geen fouten in stapelpatronen.

·         Kosten. Cijfers van het CBS laten zien dat de loonkosten in de industrie en logistiek de afgelopen tien jaar met dertig tot veertig procent zijn gestegen. Tegelijkertijd zijn de kosten van mechanisering en automatisering gedaald. Dat betekent dat het investeren in een palletiseermachine voor vrijwel elk bedrijf inmiddels een aantrekkelijke optie is geworden, zoals de globale rekensom in onderstaande tabel laat zien. Daarin zijn de verzuimkosten als gevolg van lichamelijke klachten nog niet meegenomen.

Inzetduur
Kosten handmatig palletiseren per jaar*
Investeringskosten palletiseermachine
Terugverdientijd
1 ploeg (8 uur/dag, 40 uur/week
€ 60.000
€ 100.000
20 maanden
2 ploegen (16 uur/dag, 80 uur/week)
€ 120.000
€ 100.000
10 maanden
3 ploegen (24 uur/dag, 120 uur/week)
€ 180.000
€ 100.000
7 maanden
5 ploegen (24 uur/dag, 168 uur/week)
€ 252.000
€ 100.000
5 maanden
* Deze kosten zijn gebaseerd op de inzet van één medewerker die 30 euro per uur kost.

Naast al deze nadelen geldt bovenal dat handmatig palletiseren gewoon geen leuk werk is. Nu gemotiveerde werknemers steeds lastiger te vinden en te houden zijn, kan dat een valide argument zijn om over te stappen op een palletiseermachine of palletiseerrobot.




2 Vergelijking van vier oplossingen

Lange tijd was de aanschaf van een palletiseermachine de enige oplossing om het palletiseerproces te automatiseren. In een dergelijke machine worden de producten eerst samengeschoven tot een complete palletlaag ontstaat, waarna de hele laag in één beweging op de pallet wordt geschoven. De laatste tientallen jaren zijn robots sterk in opmars gekomen. Het kenmerk van robots is dat ze de producten niet schuiven, maar oppakken en in een vloeiende beweging op de pallet plaatsen. Qimarox heeft onder de naam Highrunner een nieuwe palletiseermachine ontwikkeld waarin de voordelen van beide oplossingen zijn gecombineerd. Wat zijn nu precies de voor- en nadelen van elke oplossing?

2.1 Conventionele palletiseermachines
De meeste palletiseermachines werken volgens hetzelfde principe. De producten komen aan over een rollenbaan, stoppen op het juiste moment totdat een complete rij is geformeerd en worden vervolgens zijwaarts op een ijzeren plaat geschoven. Daarna wordt op de rollenbaan een nieuwe rij geformeerd die op identieke wijze op de plaat belandt, strak tegen de eerste rij aan. Zodra op de plaat een complete palletlaag ligt, wordt die boven de pallet gemanoeuvreerd en weggetrokken zodat de producten in het juiste patroon op de pallet belanden.
De capaciteit van conventionele palletiseermachines is doorgaans vrij hoog. De reden is dat meerdere handelingen gelijktijdig worden uitgevoerd. Producten worden immers niet stuk voor stuk, maar met complete lagen tegelijk op de pallet geplaatst. Daar staat tegenover dat het aantal mogelijke stapelpatronen vrij beperkt is door de wijze waarop producten tot rijen en rijen tot lagen worden geformeerd.

Kleppen, armen of stempels
Het onderscheid tussen de verschillende palletiseermachines komt pas goed aan het licht bij stapelpatronen met tussenruimte (spatiëring) tussen de producten. Spatiëring houdt in dat de machine de producten op de formeerbaan niet strak tegen elkaar mag laten lopen, maar op een bepaalde onderlinge afstand van elkaar moet laten stoppen. Het regelen van die afstand is millimeterwerk. Hoe nauwkeuriger die onderlinge afstand, hoe groter de stabiliteit van de uiteindelijke stapel.
Een vertrouwde techniek is het gebruik van kleppen die op het juiste moment tussen de rollen omhoog komen en de producten tegenhouden. Nadeel is dat de positie van de kleppen niet variabel ingesteld kan worden en in ieder geval afhankelijk is van de steek tussen de rollen. Een verandering van stapelpatroon kan betekenen dat de hele constructie moet worden aangepast.
Als alternatief voor kleppen worden soms armen of stempels gebruikt die de producten tegenhouden of op hun plek duwen. Ook deze technieken gaan gepaard met de nodige inflexibliteit. Een verandering van stapelpatroon leidt nog steeds tot lange omsteltijden.

PLC-besturing
Een geheel andere techniek is het gebruik van PLC-besturing om de afstand tussen de producten te regelen. Het PLC-systeem signaleert wanneer het product een fotocel passeert en schakelt vervolgens op exact het juiste moment de rollen uit zodat het product stil staat. Door de tijd tussen het passeren van de fotocel en het uitschakelen van de rollen te variëren, kan de afstand tussen de producten anders dan bij de kleppentechniek variabel worden geregeld.
Ook deze techniek heeft zijn tekortkomingen. Als een product niet recht op de rollenbaan ligt, gaat het PLC-systeem uit van het moment waarop de voorste punt de fotocel passeert, met als gevolg dat de rollen net een fractie te vroeg worden stopgezet. Het kan echter ook gebeuren dat een product slipt op het moment dat de rollen stoppen en dus een fractie te laat stilstaat. Tot slot kan slijtage in de vorm van rek in de aandrijfriem of speling in de aandrijfketting zorgen voor onnauwkeurigheid bij het positioneren van de producten.
Een onnauwkeurigheid van enkele millimeters kan al aanleiding zijn voor verstoringen in het proces. In de praktijk gebeurt het regelmatig dat een machine direct na opstarten prima draait, maar na een halve dag haperingen begint te vertonen. Ook zijn er voorbeelden bekend van machines die in de winter perfect zijn afgesteld, maar niet goed meer functioneren als de hogere temperaturen in de zomer de wrijving tussen product en rollen nadelig beïnvloeden.

Maatwerk
De meeste fabrikanten starten pas met het bouwen van een palletiseermachine als daarvoor een order is geplaatst. Dat biedt hen de mogelijkheid om een machine te bouwen die volledig is ontworpen op basis van de specificaties van de klant.
Elke palletiseermachine is dus uniek, wat leidt tot hoge kosten op het gebied van service en onderhoud. Onderdelen zijn bijvoorbeeld maar beperkt uitwisselbaar en moeten soms zelfs op maat worden gemaakt. Bovendien zijn conventionele palletiseermachines vanwege het grote aantal bewegende delen relatief slijtage- en onderhoudsgevoelig. Daartegenover staat dat de techniek inclusief de standaard PLC-besturing relatief eenvoudig is, waardoor een groot deel van het geplande en ongeplande onderhoud door een eigen technische dienst kan worden uitgevoerd.
De machine zelf neemt slechts weinig ruimte in beslag, maar voor integratie in een eindverpakkingslijn is soms wat meer ruimte nodig. Reden is dat de producten slechts op één manier ingevoerd kunnen worden, zodat soms - afhankelijk van de lay-out - aanpassingen in de aanvoerbaan nodig zijn in de vorm van bochten of haakse overzettingen. Daarnaast moet voor de formeerbaan vaak een extra doseerbaan en/of keerbaan worden gemonteerd. De doseerbaan heeft de functie om de producten die in een continue stroom worden aangevoerd te separeren, de keerbaan dient ervoor om producten - als het stapelpatroon dat noodzakelijk maakt - 90 graden te draaien.

2.2 Knikarm- en portaalrobots
Het onderscheidende kenmerk van palletiseerrobots is dat elk product wordt opgepakt met een grijper. Op basis van coördinaten weet de robot exact hoe een grijper moet worden gemanoeuvreerd om een product van een rollenbaan  op te pakken en op de juiste positie op een pallet af te leggen. Een extra keerbaan om producten een kwartslag te draaien is niet nodig. Terwijl de grijper de producten verplaatst, kunnen ze in elk gewenste hoek worden gedraaid en desnoods zelfs worden gekanteld.
Palletiseerrobots worden gebruikt in twee verschillende opstellingen. Het meest herkenbaar is de knikarmrobot, een robotarm die 360 graden kan draaien rondom het draaipunt waarop hij is bevestigd. Knikarmrobots zijn standaard machines waarvan er wereldwijd duizenden in bedrijf zijn, niet alleen voor palletiseren maar ook voor andere taken. Het bereik van een knikarmrobot is beperkt door de lengte van de arm.
Anders dan bij een knikarmrobot kan bij een portaalrobot het bereik zo groot worden gemaakt als wenselijk is. Zoals de naam al aangeeft, is deze robot opgehangen aan een portaalconstructie. Daardoor kan de grijper in verschillende richtingen worden verplaatst, conform de afmetingen van de portaalconstructie. Daardoor kan een portaalrobot met groot gemak verschillende eindverpakkingslijnen en/of verschillende pallets bedienen.

Flexibiliteit vs capaciteit
Het grote voordeel van robots in vergelijking met conventionele palletiseermachines is de grote flexibiliteit. Omdat elk product stuk voor stuk opgepakt wordt, is het mogelijk om nagenoeg elk denkbaar stapelpatroon te maken.
De grotere flexibiliteit gaat echter wel ten koste van de capaciteit. Omdat de producten per stuk in plaats van per laag op de pallet worden geplaatst, is meer tijd nodig voor het stapelen van een pallet. Eén palletiseerslag duurt al snel vijf tot zeven seconden. Korter is doorgaans niet mogelijk, omdat door de grotere snelheden dan te grote krachten op de verpakkingen worden uitgeoefend en breuken kunnen ontstaan. De capaciteit per robot is dus begrensd tot zo’n zevenhonderd producten per uur. Als meer capaciteit nodig is, worden daarom vaak meerdere robots parallel of in serie geschakeld.
Hogere capaciteiten zijn ook mogelijk door palletiseerrobots net als conventionele palletiseermachines meerdere producten tegelijk op een pallet te laten plaatsen. Dat betekent dat robots moeten worden toegepast in combinatie met voorformeer-units. Dat zijn machines die net als conventionele palletiseermachines de producten tot rijen of lagen samenschuiven, waarna de robot de complete rij of laag in één keer op een pallet plaatst. Net als bij conventionele palletiseermachines gaat de hogere capaciteit bij deze hybride machines echter ten koste van de flexibiliteit in stapelpatronen.

Stapelpatronen programmeren
Een aandachtspunt is het maken van nieuwe stapelpatronen. Omdat de besturingssoftware anders dan bij conventionele palletiseermachines niet is gebaseerd op standaard PLC-technologie, zijn bedrijven voor het aanmaken van nieuwe stapelpatronen vaak nog aangewezen op een programmeur van de robotfabrikant. Fabrikanten proberen hieraan tegemoet te komen met speciale ontwerpprogramma’s, maar de waarde daarvan is in de praktijk beperkt. Ze bieden weliswaar de mogelijkheid om andere coördinaten voor het oppakken of afleggen van producten in te geven, maar daarmee wordt niet automatisch de hele beweging van de robotarm geoptimaliseerd. Het is juist die beweging die de duur van een palletiseerslag en daarmee de capaciteit van de robot bepaalt.
Daarnaast spelen toleranties een belangrijke rol, bijvoorbeeld de variatie in de afmetingen van dozen. Niet elk doos is tot op de millimeter even groot. Bovendien kunnen dozen soms bol staan of uitzakken, waardoor de afmetingen in de praktijk soms groter zijn dan in theorie. Omdat de coördinaten van de oppakpositie zijn gebaseerd op het middelpunt van de doos, kunnen de kleine variaties in afmetingen voor problemen zorgen bij het afleggen van producten. Denk aan situaties waarbij het product een al eerder geplaatst product raakt en kantelt.
Ter voorkoming daarvan worden bij de inzet van robots vaak extra ruime toleranties gehanteerd, wat weer tot andere problemen kan leiden. Neem als voorbeeld het verzakken van dozen omdat de dooswanden zich niet precies boven elkaar bevinden.

Wisselen van grijper
Een ander aandachtspunt vormt het grijpmechanisme. Er zijn verschillende technieken om producten op te pakken. Veel gebruikt is vacuümtechniek, waarbij producten middels een zuignap van bovenaf worden opgepakt. Die techniek functioneert prima voor dozen van goede kwaliteit, maar kan problemen opleveren als het bedrijf opeens goedkopere dozen van poreus karton gaat gebruiken. Bovendien is vacuümtechniek niet of nauwelijks geschikt voor producten zoals trays of emmers.
Een alternatief is het gebruik van klemmen die de producten aan de zijkanten oppakken. Bij kwetsbare producten worden vaak een vork gebruikt om producten van onderaf op te pakken, vaak aangevuld met een stempel die het product van bovenaf op zijn plaats houdt.
Welke grijper geschikt is, verschilt van product tot product. Soms is het nodig om voor elk product een aparte grijper te ontwikkelen, wat betekent dat bij wisseling van producten ook de grijperkop moet worden gewisseld. Dat betekent extra omsteltijden.

Complexe technologie
Zoals gezegd zijn robots – zeker de knikarmrobots – standaard machines waarvan er wereldwijd inmiddels duizenden in bedrijf zijn. Ze zijn daardoor relatief gemakkelijk te integreren, ook omdat aanpassingen aan het lay-out van eindverpakkingslijnen vaak beperkt zijn. Het maakt immers niet uit vanuit welke richting producten worden aangevoerd of hoe pallets worden afgevoerd. De robot past in elke lay-out, zo lang de coördinaten van de oppak- en afzetposities maar binnen het bereik vallen. Het gebruik van vision-technologie maakt integratie nog eenvoudiger. Producten kunnen ongeordend worden aangevoerd, terwijl pallets niet meer tot op de millimeter nauwkeurig aangevoerd hoeven te worden. Wel moet soms de betonvloer worden versterkt vanwege de grote puntbelasting op het draaipunt van de knikarmrobot.
In vergelijking met conventionele palletiseermachines hebben robots minder bewegende delen en zijn daardoor minder gevoelig voor slijtage en storingen. Daartegenover staat dat de technologie complex is, waardoor bedrijven voor onderhoud vaak op de leverancier zijn aangewezen. En ook al zijn de robots zelf onderhoudsarm, alle extra techniek in de vorm van grijpers en eventuele voorformeer-units zorgen ervoor dat het totale systeem nog behoorlijk wat aandacht van de technische dienst kan vragen. Ook voor het bedienen van een palletiseerrobot zijn in vergelijking met conventionele palletiseermachines medewerkers gewenst met wat meer competenties, zeker als het gaat om het oplossen van eenvoudige storingen.

2.3 Highrunner mk7
De Highrunner mk7 is een innovatieve palletiseermachine van Qimarox die de capaciteit van een conventionele palletiseermachines combineert met de flexibiliteit van palletiseerrobots. Wat de Highrunner onderscheidt van conventionele palletiseermachines, is de gepatenteerde, traploos regelbare formeerschuif. Hiermee kan elk product zorgvuldig en nauwkeurig worden gepositioneerd volgens vrijwel elk denkbaar stapelpatroon. Anders dan bij conventionele machines kan hiermee ook eventuele spatiëring tussen de producten tot op een millimeter worden ingesteld, wat zorgt voor minder storingen en stabielere pallets.
Met deze formeerschuif is het zelfs mogelijk om producten een kwartslag te draaien. De formeerschuif kiest dan zodanig positie dat één zijde van het product tegen de schuif aanloopt, waarna de andere zijde door de voortbewegende transportband een soepele draai van 90° maakt. De schuif zorgt er bovendien automatisch voor dat elk product recht wordt uitgelijnd. Het installeren van een aparte keerbaan is dus niet meer nodig, tenzij dat noodzakelijk is om de gewenste capaciteit te halen.

Formeerbaan op hoogte
De capaciteit van de Highrunner mk9 is groter dan van de meeste conventionele palletiseermachines dankzij een aantal slimme aanpassingen in het ontwerp. Allereerst bevindt de formeerbaan zich continu op dezelfde hoogte als de bovenkant van de pallet. De plaat waarop een nieuwe laag is geformeerd, hoeft alleen over de pallet te worden geschoven en weggetrokken te worden om de producten af te leggen. Een lift zorgt er vervolgens voor dat de pallet een niveau zakt, totdat de bovenkant zich weer op dezelfde hoogte bevindt. Op deze manier hoeft de plaat  dus niet zoals in veel conventionele machines eerst omhoog te worden getransporteerd, wat veel tijd scheelt.
Daarnaast zijn de verschillende bewegingen zoveel mogelijk ontkoppeld. De producten worden eerst op de formeerbaan tot een laag samengeschoven en pas als de laag compleet is op de aflegplaat geschoven. Dat maakt het mogelijk om de ene laag af te leggen terwijl ondertussen de volgende alweer wordt geformeerd.

Aan- en afvoer van pallets
Als een pallet compleet is, zakt de lift tot op vloerniveau waarna een rollenbaan voor afvoer van de pallet zorgt. Vanuit tegenovergestelde richting wordt tegelijkertijd een lege pallet weer aangevoerd, die door de lift wordt opgenomen en omhoog wordt getransporteerd.
In situaties waarin meerdere Highrunners naast elkaar worden geplaatst, is het mogelijk om één rollenbaan voor aan- en afvoer van alle pallets te gebruiken, zowel de volle als de lege. In dit Crossrunner-concept loopt de rollenbaan onder alle Highrunners door, waarbij de besturing ervoor zorgt dat de aan- en afvoer van pallets wordt afgestemd op de activiteiten van de machines om botsingen te voorkomen. Desgewenst is het mogelijk om in de besturing prioriteiten aan te geven, om te voorkomen dat de laatste Highrunner in lijn zijn volle pallet niet kwijt kan vanwege alle andere pallets op de rollenbaan.
Dankzij het Crossrunner-concept is een ingewikkeld stelsel van rollenbaan niet nodig om alle pallets te kunnen afvoeren. Daardoor is het mogelijk om het ruimtebeslag van de toch al compacte Highrunner nog verder te beperken.

Modulair ontwerp
Anders dan de conventionele machines is de Highrunner een volledige doorontwikkelde, standaard machine waarin het aantal bewegende onderdelen tot een minimum is teruggebracht. Bovendien zijn hoofdzakelijk standaard componenten gebruikt die eenvoudig te vervangen en vrij op de markt verkrijgbaar zijn. Dat maakt de Highrunner tot een betrouwbare en onderhoudsarme machine. Door het ontbreken van spelingsgevoelige aandrijfriemen en aandrijfkettingen blijft de machine ook na duizenden draaiuren op hoog niveau presteren.
Dankzij het modulaire ontwerp is de machine ondanks de grote mate van standaardisatie toch eenvoudig te integreren in elk eindverpakkingsproces. Standaard wordt de machine bijvoorbeeld voorzien van zijinvoer, waarbij producten links of rechts van de formeerplek worden aangevoerd. Bedrijven die een hogere capaciteit wensen, kunnen echter ook kiezen voor middeninvoer. De lagen worden dan afwisselend links en rechts van de aanvoerbaan geformeerd. Op die manier kunnen meerdere lagen tegelijkertijd worden geformeerd. Tot slot is de Highrummer mk7 verkrijgbaar met dubbelinvoer, waarbij twee aanvoerbanen en twee volwaardige formeerbanen voor een extreem hoge capaciteit zorgen. Ook voor het plaatsen van antislipvellen tussen palletlagen en het wikkelen van pallets bestaan standaard modules die eenvoudig kunnen worden ingepast.

Eenvoudig en goedkoop in gebruik
Behalve eenvoudig in onderhoud is de Highrunner ook eenvoudig in gebruik, zeker in vergelijking met palletiseerrobots. Operators kunnen met een druk op het touchscreen van de bedieningsconsole eenvoudig het stapelpatroon veranderen zonder dat de machine fysiek aangepast hoeft te worden. Via datzelfde touchscreen kunnen operators bovendien zelf stapelpatronen aanmaken of aanpassen.
Tot slot springt de Highrunner zuinig om met energie. Zoals aangegeven telt deze machine minder bewegende onderdelen dan conventionele palletiseermachines en gebruikt daardoor minder energie. Ook in vergelijking met palletiseerrobots valt het lage energieverbruik op. De Highrunner telt bijvoorbeeld evenveel aandrijvingen als een knikarmrobot. Terwijl bij een knikarmrobot alle aandrijvingen continu in werking zijn, zijn ze bij de Highrunner alleen gedurende korte tijd in bedrijf. 


3 Waarop letten bij automatiseren?

Het aanschaffen van een palletiseermachine of palletiseerrobot vereist allereerst een zorgvuldige analyse van het complete eindverpakkingsproces. Welke palletiseeroplossing geschikt is, kan immers van situatie tot situatie verschillen. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten?

·         Capaciteit. Uiteraard is de vereiste capaciteit van belang. Hoeveel producten of pallets per uur moet de machine of robot kunnen verwerken? De vereiste capaciteit is afhankelijk van de snelheid van de productie- en eindverpakkingslijnen die voor de aanvoer van de producten zorgen. Omdat een machine of robot jarenlang meegaat, moet de capaciteit van de palletiseeroplossing niet alleen voldoende zijn voor de huidige, maar ook voor de toekomstige productstromen. Belangrijk is dus de toekomstvisie van het bedrijf, evenals de trend dat consumentenverpakkingen steeds kleiner worden.

·         Verpakking. De palletiseeroplossing moet in staat zijn om alle aangeboden producten te palletiseren, of het nu gaat om dozen, zakken, emmers, blikken, bakken of trays met of zonder krimpfolie. Lang niet alle verpakkingsvarianten kunnen door elke machine of robot even goed worden verwerkt. Daarnaast is de kwaliteit van de verpakking belangrijk. Met name in de levensmiddelenindustrie zien we steeds vaker omdozen die ontworpen zijn om direct in het schap te plaatsen, inclusief openingen en perforatielijnen die ten koste gaan van de stevigheid. De machine of robot moet in staat zijn om ook deze dozen zonder productschade op een pallet te stapelen.

·         Stapelpatronen. Vormen en formaten verschillen vaak van product tot product. Ook worden naast de standaard europallet (1200 x 800 mm) soms andere palletformaten gebruikt, denk aan de blokpallet (1200 x 1000 mm). De combinatie van verschillende vormen en formaten van producten en pallets betekent dat de palletiseermachine of -robot verschillende stapelpatronen moet kunnen hanteren. Soms is het daarbij noodzakelijk dat de producten niet strak tegen elkaar, maar met enige tussenruimte (spatiëring) worden gestapeld. De vraag is hoe flexibel de oplossing is in het hanteren van wisselende stapelpatronen met of zonder spatiëring. En wat zijn de eventuele omsteltijden bij het wisselen van stapelpatronen?

·         Ruimtebeslag. De ruimte in bedrijven voor het installeren van een nieuwe machine is vaak beperkt, zeker als in de loop der jaren de productie- of eindverpakkingslijnen al eens zijn uitgebreid. De ruimte die een palletiseeroplossing inneemt, wordt niet alleen bepaald door de fysieke afmetingen van een machine of robot, maar door het aantal machines of robots dat nodig is om de vereiste capaciteit te halen. Slimme ontwerpen, waarbij bijvoorbeeld handig gebruikt wordt gemaakt van de hoogte, kunnen in het voordeel zijn.

·         Aan- en afvoermogelijkheden. Een palletiseermachine of -robot staat niet op zichzelf, maar maakt altijd onderdeel uit van één of meerdere eindverpakkingslijnen. Welke oplossing de voorkeur krijgt, hangt daarom af van de wijze waarop producten en lege pallets kunnen worden aangevoerd en volle pallets weer kunnen worde afgevoerd. Worden de producten via één of meerdere conveyors aangevoerd? Worden de volle pallets via een rollenbaan afgevoerd of moet een heftruck ze oppakken en wegzetten? En hoeveel buffercapaciteit moet daarvoor worden ingebouwd? De wijze waarop het geheel kan worden geïntegreerd, verschilt per oplossing.

·         Extra opties. Automatiseren van het palletiseerproces betekent vaak meer dan alleen het inzetten van machines of robots voor het stapelen van producten op pallets. Voor de stabiliteit van een pallet is het bijvoorbeeld soms nodig om na elke laag een tussenlegvel te plaatsen. Na het palletiseren volgt vaak nog het omsnoeren of omwikkelen van een pallet om de stabiliteit verder te vergroten. Tot slot wordt het in het kader van tracking & tracing steeds belangrijker, zeker in de levensmiddelenindustrie, om pallets te labelen en de inhoud van de pallet inclusief lotnummers of serienummers aan het palletnummer te koppelen. De ene oplossing maakt het gemakkelijker om al deze extra handelingen in het palletiseerproces te integreren dan de andere oplossing.

·         Gebruiksvriendelijkheid. Automatiseren van het palletiseerproces betekent niet dat helemaal geen mensen meer nodig zijn. Vaak is menselijke tussenkomst vereist als het product of palletformaat verandert en dus een ander stapelpatroon geselecteerd moet worden. Soms is het zelfs noodzakelijk om een volledig nieuw stapelpatroon aan te maken, bijvoorbeeld bij de introductie van een nieuw product. Het gemak waarmee stapelpatronen geselecteerd of aangemaakt kunnen worden, blijkt in de praktijk vaak bepalend  te zijn voor de mate waarin alle mogelijkheden van de palletiseeroplossing worden benut.

·         Energieverbruik. Energieverbruik wordt een steeds heter hangijzer in de bedrijfsvoering. Niet alleen omdat een hoog energieverbruik dankzij de stijgende energietarieven tot hogere kosten leidt, maar ook omdat het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen en reductie van de CO2-uitstoot toeneemt. De ene machine of robot verbruikt meer energie dan de andere.

·         Kwetsbaarheid. Automatiseren van het palletiseerproces betekent dat de afhankelijkheid van de techniek wordt vergroot. Als die techniek het laat afweten, leidt dat tot stilstand; niet alleen tot stilstand van het palletiseerproces, maar vaak ook van het eindverpakkingsproces en mogelijk zelfs het productieproces. De storingsgevoeligheid en kwetsbaarheid van de gebruikte techniek verschilt per palletiseeroplossing.

·         Levensduur en onderhoud. Een robot vergt misschien minder onderhoud dan een palletiseermachine, maar daartegenover staat dat een machine langer meegaat. Een machine gaat zonder problemen vijftien tot twintig jaar mee, en kan zelfs dan na een eventuele revisie nog een tweede leven krijgen. Een knikarmrobot is na twaalf tot vijftien jaar vaak aan het eind van zijn levensduur en moet dan vanwege de hoge reparatiekosten vaak geheel worden vervangen.

Naast al deze aandachtspunten geldt natuurlijk dat de kosten van de verschillende palletiseeroplossingen een belangrijke overweging vormen. Die kosten bestaan uit aanschafkosten, installatiekosten, gebruikskosten en onderhoudskosten. Vrijwel alle genoemde aandachtspunten hebben in meer of mindere mate impact op deze kosten. De vraag is wat de baten zijn die tegenover deze kosten staan. Met andere woorden: wat is de terugverdientijd van elke mogelijke oplossing?

Plussen en minnen
In onderstaande tabel zijn de voor- en nadelen van de verschillende palletiseeroplossingen nog eens naast elkaar gezet.




4 Conclusies

Deze whitepaper geeft geen kant-en-klaar antwoord op de vraag welke palletiseeroplossing de voorkeur verdient. Dat hangt te zeer af van de situatie waarin de palletiseeroplossing moet worden ingepast en de eisen en wensen van het bedrijf. Wel kunnen we op basis van de analyse in dit document een aantal conclusies trekken.

De eerste conclusie is dat de Highrunner mk7 in vrijwel alle gevallen de voorkeur verdient boven een conventionele palletiseermachine. De Highrunner mk7 is minstens even snel, biedt meer flexibiliteit en biedt meer voordelen in gebruik en onderhoud. Daarnaast is de Highrunner dankzij de jarenlange doorontwikkeling en de grote mate van standaardisatie 15 tot 30 procent goedkoper in aanschaf dan conventionele machines.

De tweede conclusie is dat de kosten van een Highrunner mk7 op een vergelijkbaar niveau liggen als van een knikarmrobot. Een knikarmrobot kan voor dat bedrag meerdere productielijnen bedienen, maar is wat capaciteit betreft beperkt. De Highrunner mk7 kan alleen voor één type product tegelijk worden ingezet, maar biedt wel veel meer capaciteit omdat complete lagen tegelijk kunnen worden afgelegd. Ook met een knikarmrobot is het mogelijk om complete lagen op een pallet te plaatsen, maar daarvoor moeten dan wel voorzieningen worden getroffen die ten koste gaan van de voordelen van een robot en zal men ook moeten gaan voor-formeren.

Kortom: als de situatie vraagt om een flexibele palletiseeroplossing met hoge capaciteit, slaat de weegschaal al snel door in het voordeel van de Highrunner mk7.

Omdat de Highrunner mk7 bestaat uit standaard componenten, kan Qimarox een korte levertijd garanderen. Daarnaast beschikt Qimarox over een uitgebreid netwerk van partners die de Highrunner mk7 op elk continent kunnen installeren en integreren. Wie kiest voor de Highrunner mk7, kan dus snel aan de slag met een goedkope, betrouwbare en flexibele palletiseeroplossing.

Vers l'exigence de fixations imperdables pour les protections périmétriques ?



Par Bert Stap, Nick de With et Paul Hoogerkamp (diplômés en ingénierie et sciences)

Les constructeurs de machines se posent actuellement quelques questions concernant la mise en œuvre de la directive Machine 2006/42/CE en ce qui concerne les protecteurs fixes, et en particulier les systèmes de clôtures de sécurité (protections périmétriques). Certains fournisseurs comprennent l'article 1.4.2 de l'annexe I de la directive Machine intitulée « Exigences particulières pour les protecteurs » comme une exigence de fixation imperdable sur le protecteur fixe et/ou la machine. D'autres fournisseurs pensent que le législateur ne prend pas le terme « protecteur fixe » comme incluant les « systèmes de protection périmétrique (dont les clôtures de sécurité font partie) ». Les questions importantes sont naturellement de savoir « comment interpréter la législation ? » et « qui a raison ? »

Que la nouvelle directive Machine 2006/42/CE dit-elle exactement ? Deux types de protecteurs sont mentionnés dans la directive Machine. Il y est en effet question de protecteurs fixes et de protecteurs mobiles avec un dispositif d'interverrouillage. Les protecteurs fixes peuvent par exemple être la carrosserie de la machine et prendre la forme de capots nécessitant un outillage pour être démontés. Partout où c'est possible, un protecteur fixe, une fois retiré, ne doit pas être relié à la machine. D'un autre côté, les protecteurs mobiles sont associés à des portes coulissantes ou pivotante ou encore des trappes d'inspection. Lorsqu'il est ouvert, un protecteur mobile doit en fait rester autant que possible attaché à la machine.
Tout le monde comprend qu'un système de protection périmétrique est constitué d'une combinaison de protecteurs fixes et de protecteurs mobiles (des panneaux fixes avec des poteaux et des portes pivotantes ou coulissantes). Tout le monde sera d'accord avec ce qui vient d'être énoncé.

Dans les mêmes exigences 1.4.2.1 de l'annexe de la directive Machine, il est en outre stipulé que les fixations destinées aux protecteurs fixes doivent rester fixées soit sur la machine, soit sur le protecteur (exigence 1.4.2.1. protecteurs fixes) « leurs systèmes de fixation doivent rester attachés au protecteur ou à la machine lorsque les protecteurs sont déposés ».’ Pour apporter une réponse claire à ce que la législation entend, nous devons d'abord considérer la manière dont de tels systèmes de protection périmétrique sont mis en place en pratique pour protéger une machine. Dans la plupart des cas, les systèmes de protection périmétrique (figure 1) sont utilisés sur des machines ou des installations de grande dimension dans lesquelles on trouve souvent plusieurs machines associées (c'est-à-dire une « machine » telle que définie par l'article 2, paragraphe A alinéa 4’ de la directive Machine). Dans de nombreux cas, la protection périmétrique est totalement détachée de la machine (ou des machines) ou, par exemple, mécaniquement reliée à la machine en un nombre restreint de points. En outre, comme mentionné ci-dessus, il y a de nombreuses variantes de systèmes de protection périmétrique comme une enceinte tout acier autour d'un robot de soudage. Dans de nombreux cas, cette enceinte (voir la figure 2) est fabriquée en tôles trempées et ses panneaux sont reliés entre eux au moyen de liaisons à vis/boulons dans les panneaux trempés. Le législateur avait-il ce type de protection périmétrique en point de mire lors de la rédaction de l'article 1.4.2.1?
Il pensait probablement à la situation bien plus courante évoquée ci-dessous. Nombre d'entre vous ont déjà vu (ou ont déjà eu affaire à) des pièces de carrosserie (capotages) de machine qu'il faut déposer pour effectuer une maintenance. Il n'est également pas rare de découvrir des semaines plus tard qu'elles n'ont pas été remises en place. Les capotages finissent par errer dans la zone de production et souvent ne sont pas remis en place. Il existe diverses causes. Souvent, le fabricant fournit le capotage de la machine avec des boulons ou des vis M6 (autotaraudeuses) et les fixations. Lors de la dépose du capotage pour la maintenance des entraînements? il est extrêment fréquent que le technicien de maintenance égare un ou plusieurs de ces boulons/vis . Il doit alors se rendre au magasin pour obtenir des pièces de rechange afin de pouvoir remettre les capots en place. Cependant dans de telles situations, la machine, l'usine ou la ligne de production sont souvent redémarrées sans remettre les capots en place ou incomplètement en place afin d'écourter le plus possible l'arrêt de production. Les gens pensent qu'ils pourront régler ce problème rapidement, mais ce futur proche se transforme souvent en avenir hypothétique. De cette manière, la maintenance a pour conséquence une carence de pièces du système de protection de la machine spécifié par le fabricant. Dans l'estimation des risques et les mesures de réduction de ces derniers, le fabricant prend en compte les protecteurs fixes. Leur absence pourrait donc mener à des situations dangereuses pour l'utilisateur du système ou de la machine. Vue sous cet angle, l'exigence correspondante est ainsi plus facile à comprendre. Le législateur demande clairement au fabricant ou concepteur d'utiliser d'autres méthodes de fixation.

Il ne serait pas difficile de remplacer la boulonnerie ou les vis par un autre système de fixation. Dans les exigences générales concernant les protecteurs (exigence 1.4.1), il est également fait mention du démontage des protecteurs fixes liés à l'échange d'outils ou aux travaux de maintenance. Mais quand les protections périmétriques sont-elles effectivement démontées pour effectuer une maintenance ou changer un outil ? Probablement jamais. Les panneaux d'une clôture de sécurité protégeant une machine ou un équipement sont extrêmement rarement démontées pendant la durée de vie entière de l'installation, par ex. pour remplacer une portion de la machine ou installation à l'intérieur du périmètre protégé et seulement si les pièces à monter ne peuvent pas passer par les portes de la protection périmétrique. En outre, les fixations des panneaux de clôture de sécurité sont souvent d'une taille totalement différente de celle des petites vis et boulons évoqués ci-dessus. Il est par conséquent beaucoup plus difficile de perdre ce genre de fixation. Certains types de système de clôture de sécurité, comme les protecteurs de machine, nécessitent des méthodes de fixation spécifiques qui rendraient impossible de satisfaire cette exigence. Il suffit d'évoquer le système de protection périmétrique bien connu en aluminium fabriqué en profilés standard boulonnés ensemble et dont les espaces sont occupés par du Lexan, des grilles ou des plaques. Leur fabricant devrait-il également penser à de nouvelles méthodes de fixation ? Pour notre part, nous suggérons qu'il n'est pas toujours nécessaire d'appliquer cet aspect de l'exigence 1.4.2.1 à un système de clôture de sécurité et que les fabricants de protection périmétrique et que les constructeurs de machines qui fabriquent eux-mêmes leurs protections périmétriques peuvent dans la plupart des cas continuer à utiliser la méthode de fixation qu'ils utilisaient jusqu'à maintenant. Une liaison standard utilisant une solide boulonnerie.

Ce qui précède est mis en lumière par l'interprétation européenne de la nouvelle directive Machine dans la traduction préliminaire du « Guide d'application de la directive 2006/42/CE ». L'explication ci-dessous concerne l'exigence 1.4.2.1:
... 1.4.2.1 exige que les systèmes de fixation des protecteurs fixes restent attachés aux protecteurs eux-mêmes ou bien à la machine lorsque les protecteurs sont déposés. Cette exigence a pour but de réduire les risques inhérents à la non remise en place ou à la remise en place partielle en raison de la perte d'une ou plusieurs des fixations lors du démontage des protecteurs, par ex. dans le but d'effectuer une maintenance. L'application de cette exigence dépend de l'estimation du risque correspondant par le constructeur. Cette exigence s'applique à tout protecteur fixe que l'utilisateur peut retirer avec le risque de perdre des pièces de fixation, par exemple dans le cas de protecteurs fixes que l'on doit déposer pour un nettoyage périodique ou un réglage ou une maintenance effectués sur place. Cette exigence ne s'applique pas nécessairement aux protecteurs fixes n'ayant pas vocation à être déposés sauf par ex. à l'occasion d'une révision complète de la machine, d'une panne majeure, d'un démontage pour un déménagement vers un autre site. L'explication ci-dessus referme en substance les éléments de notre lecture de l'exigence 1.4.2.1. Il y est clairement indiqué que le constructeur peut décider d'utiliser ou non des fixations prisonnières pour ses protecteurs fixes lorsqu'il effectue l'estimation du risque. Il y est question du risque de perdre des protecteurs et de la remise en place complète ou non des protecteurs fixes. En outre, il est indiqué que si les protecteurs fixes doivent être rarement déposés dans le cadre de réparations majeures, ou de l'installation de la machine, cette exigence ne s'applique pas nécessairement. Selon nous, cette dernière observation s'applique clairement au système de protection périmétrique disposé autour de machines ou d'installations.
Notre conclusion est par conséquent que dans la plupart des cas, des liaisons boulonnées standard sont suffisantes dans le cadre des systèmes de clôtures de sécurité. Ne vous laissez pas induire en erreur par le discours commercial de fournisseurs de protections périmétriques et évaluez vous-même soigneusement la nécessité d'utiliser ou non des liaisons par vis ou boulonnerie prisonnières. La législation vous donne toute latitude en la matière.

Bert Stap est un ingénieur indépendant, consultant CE expérimenté chez ESV Technisch Adviesbureau B.V. (Barneveld, Pays-Bas). Il possède plus de 15 ans d'expérience dans le domaine de la pratique de la sécurité des machines. Il a précédemment directement participé au développement de systèmes de protection périmétrique et d'enceinte complètes en acier pour des robots de soudage.

Nick de With est un ingénieur consultant expérimenté chez Fusacon B.V., enseignant au NEN et membre du comité de rédaction des normes NEC 44 et CEI TC44/WG7.

Paul Hoogerkamp ingénieur indépendant, consultant CE expérimenté chez Mecid B.V.(Vorden, Pays-Bas).

¿Son obligatorios los sistemas de fijación para un resguardo?



Ing. Bert Stap, Ing. Nick de With y Paul Hoogerkamp

Los fabricantes de maquinaria tienen multitud de preguntas sobre cómo deben afrontar los requisitos de la nueva directiva de máquinas 2006/42/CE con respecto a las protecciones fijas y en concreto los resguardos de determinadas zonas. Hay proveedores que en virtud del artículo 1.4.2 del Anexo I de la directiva de máquinas 'Requisitos específicos para los resguardos' opinan que los sistemas de fijación deben permanecer unidos a los resguardos y/o la máquina.  Otros proveedores aseguran que el legislador no se refiere a los resguardos de determinadas zonas cuando habla de las protecciones fijas aquí descritas. Evidentemente, las preguntas más importantes son: '¿Qué es lo que ha querido decir el legislador?' y '¿Quién tiene razón?'

¿Qué es lo que contiene exactamente la directiva de máquinas 2006/42/CE? Cuando hablamos de resguardos, existen dos posibilidades: un resguardo fijo o un resguardo móvil con dispositivo de bloqueo. Puede que con resguardos fijos se refiere al revestimiento de una máquina. Son paneles para los que se necesitan herramientas para poder quitarlos. Un resguardo fijo no debe, en la medida que sea posible, permanecer unido con la máquina. En el caso de resguardos móviles, se refiere a puertas correderas, giratorias o puertas de inspección. Es importante que, en la medida que sea posible, el resguardo móvil, cuando está abierto, permanezca unido a la máquina.
Todo el mundo comprende que un resguardo para una determinada zona es una combinación de resguardos fijos y móviles (paneles fijos con soportes verticales y puertas giratorias o correderas). Hasta aquí no suelen surgir puntos de discusión.

En el mismo requisito 1.4.2.1 del anexo I de la nueva directiva de máquina se plantea además que los materiales de fijación de un resguardo fijo deben permanecer unidos con la máquina o con el resguardo (requisito 1.4.2.1. Resguardos fijos) “Los sistemas de fijación deberán permanecer unidos a los resguardos o a la máquina cuando se desmontan los resguardos”. Para poder aclarar lo que el legislador ha querido decir en este caso, hay que considerar en primer lugar la aplicación práctica de los resguardos de determinadas zonas para una máquina. En la mayoría de los casos se utilizan los resguardos de determinadas zonas (imagen 1) con máquinas más grandes o instalaciones que se componen de un conjunto de varias máquinas (también se denomina 'máquina' según la definición de la directiva de máquinas en su artículo 2, apartado a), guión 4).  En muchos casos el resguardo de determinadas zonas se encuentra totalmente separado de la(s) máquina(s) o permanece unido de forma mecánica con la máquina sólo en algunos sitios. Además existen muchos variantes sobre los resguardos de determinadas zonas anteriormente mencionados, por ejemplo, un cerramiento alrededor de un robot de soldadura. En muchos casos este encerramiento (véase imagen 2) está hecho de chapas compuestas y estos paneles son unidos entre ellos mediante tornillos en bridas compuestas. ¿Se refería el legislador a este tipo de resguardo de determinadas zonas cuando redactó este requisito en el párrafo 1.4.2.1.?
Probablemente el legislador pensó más bien en la siguiente situación que es muy frecuente en la práctica:  Todo el mundo ha conocido o experimentado una situación en la que parte del encerramiento de la máquina se debe retirar para poder realizar tareas de mantenimiento. En algunas ocasiones la máquina sigue unas semanas más tarde sin que el encerramiento de la máquina se haya montado de nuevo. Las chapas se encuentran en algún lugar de la nave de producción y no se han colocado de nuevo en su sitio. Existen varias causas para este tipo de situaciones. En muchos casos el encerramiento de la máquina ha sido provisto por el fabricante de tornillos M6 o tornillos Parker como material de fijación. El montador que debe montar las chapas después de realizar las tareas de mantenimiento, pierde con mucha facilidad estos tornillos tan pequeños. En este caso, habría que ir al almacén del servicio técnico para poder montar de nuevo el encerramiento. En este tipo de situaciones y bajo la presión de la producción, la máquina/instalación o línea muchas veces se vuelve a conectar sin montar (correctamente) el encerramiento.  A menudo se piensa 'ya lo arreglaremos más adelante', pero al final no se llegar a hacer nunca. Como consecuencia de este tipo de tareas de mantenimiento, falta el resguardo previsto por el fabricante. En base a un análisis de riesgo,
el fabricante había previsto este resguardo fijo para reducir los riesgos y la falta del resguardo lleva a una situación peligrosa para el usuario de la instalación o la máquina. El requisito en cuestión se entiende mejor pensando en este tipo de situaciones. De hecho el legislador plantea claramente: 'fabricante/diseñador, piense en otras soluciones para los materiales de fijación'.

Se podría reemplazar el tornillo fácilmente por otro sistema de fijación. En los requisitos generales sobre los resguardos (requisito 1.4.1.), el legislador también menciona la retirada de resguardos fijos en el caso de un cambio de herramientas o tareas de mantenimiento. ¿Pero cuándo se retiran los resguardos de determinadas zonas para el mantenimiento o el cambio de herramientas? Probablemente nunca. Los panales de los resguardos de determinadas zonas de las máquinas o instalaciones se eliminan durante la vida útil sólo de vez en cuando para por ejemplo la sustitución de parte de la máquina/instalación dentro del resguardo de determinadas zonas y sólo cuando las partes que se deben sustituir no caben por las puertas que se han colocado en el resguardo. Además, los materiales de fijación de los resguardos muchas veces son de un tamaño más grande que los tornillos anteriormente mencionados. De esta forma se perderán menos fácilmente. En algunas versiones de resguardos de determinadas zonas, como por ejemplo en resguardos para máquinas, se encuentran sistemas de fijación específicos que no cumplirían con este requisito. Pensemos en
los resguardos de aluminio que son muy comunes y que están compuestos de perfiles estándar unidos entre ellos con un relleno de lexan, tela metálica o chapa. ¿Estos fabricantes también deben empezar a pensar en métodos de fijación nuevos? Todo ello nos conlleva a plantear que esta parte del requisito 1.4.2.1. es aplicable a un resguardo de determinada zona con cierta reticencia y que los proveedores de resguardos de determinadas zonas y los fabricantes de maquinaria que también producen los encerramientos o los resguardos de determinada zona, pueden seguir utilizando los sistema de fijación que han manejado hasta ahora. Una sólida fijación por tornillos normal.

Todo lo mencionado aquí arriba es corroborado por la explicación de la nueva directiva de máquinas en la traducción de conceptos del ‘Guide to application of Directive 2006/42/EC'. La explicación que encuentra aquí abajo, es relacionada al requisito 1.4.2.1.:
... 1.4.2.1. requiere que los sistemas de fijación para los resguardos fijos permanezcan unidos a los propios resguardos o a la máquina cuando se retiran los resguardos. Este requisito tiene como objetivo reducir el riesgo de accidente en resguardos fijos retirados para realizar tareas de mantenimiento y que no se hayan colocado o que se hayan colocado sólo parcialmente por la pérdida de las fijaciones. La aplicación de este requisito depende del criterio del fabricante sobre el posible riesgo en cuestión. El requisito es aplicable en todos los resguardos fijos que corran el riesgo de ser retirados por el usuario con el consecuente riesgo de pérdida de las fijaciones, por ejemplo en resguardos fijos que son retirados para una limpieza rutinaria, tareas de mantenimiento o de ajuste. El requisito no es aplicable necesariamente en los resguardos fijos que son retirados exclusivamente, por ejemplo cuando la máquina es revisada completamente, cuando es sometida a importantes reparaciones o cuando es desmantelada para ser transportada a otro lugar. En la explicación anteriormente descrita vemos el fundamento del requisito 1.4.2.1. que hemos ofrecido anteriormente. Se indica claramente que es la evaluación del riesgo por parte del fabricante que determina si el resguardo fijo debe ofrecerse con sistemas de fijación imperdibles. Se menciona el riesgo de pérdida de los materiales de fijación y el consecuente riesgo de no colocar de nuevo o de colocar sólo parcialmente el resguardo fijo. Además se indica que, si estos resguardos fijos se deben retirar para una tarea de mantenimiento en la máquina o las instalaciones, este requisito no es aplicable necesariamente. Nosotros entendemos que esto último es aplicable a los resguardos de determinada zona alrededor de las máquinas o instalaciones.
Por tanto, nuestra conclusión es que para resguardos de determinada zona las fijaciones mediante tornillos pueden ser suficientes en la mayoría de los casos. No se deje convencer por los proveedores de resguardos, sino convénzase Ud. mismo de la necesidad de utilizar tornillos imperdibles o fijaciones mediante tornillos. El legislador le ofrece la libre opción.

Ing. Bert Stap es senior CE consultant independiente de ESV Technisch Adviesbureau BV en Barneveld con una experiencia de cerca de 16 años en el campo de la seguridad de máquinas. Estuvo involucrado directamente en el desarrollo de resguardos de determinada zona y encerramientos de acero completamente cerrados para robots de soldadura.

Ing. Nick de With es senior consultant en Fusacon B.V., docente en NEN y es miembro de las comisiones NEC 44 y IEC TC44/WG7.

Paul Hoogerkamp es CE consultant independiente de la firma Mecid B.V. en Vorden